Meditatie

 

 Hersteld Hervormde

Gemeente Rehoboth

 

 

 

Email: rehoboth-voorschoten@hotmail.com

HHK Voorschoten

© 2007-2018 • Privacy Policy • Terms of Use

M E D I T A T I E


Van Paulus gezien

En ten laatste van allen is Hij ook van mij, als van een ontijdig geborene, gezien. 1 Korinthe 15:8


In Korinthe werd de opstanding van de Heere geloochend. Dat was een ernstige afwijking in de leer. Paulus doet alles om die tegen te gaan. Vandaar dat wij in dit hoofdstuk heel wat verschijningen vinden opgesomd van de Verrezene aan verschillende gemeenteleden. Het feit van de opstanding moet daardoor worden gestaafd en ondersteund.

Een eerbiedwekkende reeks van getuigen van de levende Heiland trekt aan ons oog voorbij. Ze waren voor het merendeel nog in leven, toen Paulus deze brief schreef. Cefas of Petrus, de twaalven, vijfhonderd broeders op eenmaal. Jakobus en alle apostelen. Ziedaar, een lange rij. Nadat hij al deze bevoorrechten heeft genoemd, wijst Paulus ten slotte ook op zichzelf, zeggende: En ten laatste van allen is Hij ook van mij, als van een ontijdig geborene, gezien. Ook aan Paulus is Christus verschenen, op de weg naar Damascus. Hij vergelijkt zich met een misdracht om zich tegenover de apostelen als een onwaardige te belijden.

Waarom hij dat doet, zegt het volgende vers. Hij was namelijk de minste der apostelen, omdat hij de gemeente Gods had vervolgd. Paulus was niet zoals de andere apostelen door de omgang met Jezus langzaam voor zijn roeping gerijpt, maar plotseling getrokken. Niettemin, ook een naar menselijk inzicht ontijdige bekering kan volkomen oprecht zijn. Het spreekt geheel vanzelf: zulk een lichamelijke verschijning van de Heiland kunnen wij niet meer verwachten. Maar toch wordt het pas echt Pasen voor ons, wanneer wij met een oog van het loof Christus hebben gezien. Dan is het ‘gezien ook van mij’ ook op ons toepasselijk. Het gaat bij ons in de regel niet met zulke schokkende gebeurtenissen gepaard als bij de grote apostel.

Doorgaans komen wij door middel van een lange weg onder de beïnvloeding van Christus. Daarbij denken wij aan het terrein van ons ouderlijk huis, aan de sfeer van de gemeente, waarin wij van jongsaf verkeren. Niet weinig ook ondergaan wij de kracht van de prediking van onze geboorteplaats. Veel te weinig erkennen wij in het algemeen de rijke waarde van het christelijk gemeenteleven als de werkplaats van de Heilige Geest.

Weet u, wij weten van de genademiddelen van Woord en sacrament. Wij geven grif toe dat wij die op hoge waarde moeten schatten. Maar dat neemt niet weg dat het Woord van de prediking en de heilige sacramenten een band hoeven die ze verenigt; een kracht waardoor ze vruchtbaar worden gemaakt. Stellen wij ons eens voor, dat wel het Woord gepredikt wordt en de tekenen en zegelen bediend worden, maar zonder door een eigenlijk gemeenteleven gesteund en gedragen te worden. Beseffen wij dan niet onmiddellijk hoe de kracht van deze middelen dan zou worden ontluisterd, geknakt en belemmerd. Het geheiligd gemeenteleven - dat is over het algemeen de broedplaats waar de Heere het geloofsleven doet ontkiemen en vrucht dragen.
Wij ontvangen bijvoorbeeld een vrome vader of moeder; er gaan invloeden uit van een oom of tante die de Heere vrezen. Er is een diep onderwijs. En langzamerhand ontvangt het aanvankelijk dor leerstellig ontvangene, geest en kracht en leven voor ons. Langzaam, geleidelijk, stap voor stap, dat is de weg voor de meesten onder ons. Maar, of wij nu door een geweldige schok tot het leven komen óf dat de Heere een meer geleidelijke weg met ons volgt, door ons jarenlang onder de invloed en beademing van het Evangelie te houden, wij moeten met ons geloofsoog de Heere Jezus zien. Hem zien als de Middelaar, Die Zijn bloed voor ons vergoten heeft, en als de Levensvorst in Wie de bron en fontein van het geestelijk leven voor ons ontspringt.

Er is om zo te zeggen niet maar een dor verstandelijk kennen van Christus. Een papieren kennis als het ware, die geen vruchten nalaat voor het leven. Neen, wij bedoelen een ‘zien’, een geloofszien. Dat wil zeggen, met het hart Jezus zien. Aan Hem alleen verbonden te zijn. In alles Hem voor ogen houden. Door Zijn Woord te worden geleid en geregeerd. Zijn getuigenis beschouwen als onze Levensgids.

Is dat werkelijk, in levende zin, ons voorrecht dan worden wij klein en ootmoedig. Dat is altijd ‘t kenteken van ware genade. Zie het maar aan de levenservaring van Paulus. Hij begint niet met zijn eigen belevenis op de weg naar Damascus, wanneer hij de verschijningen van de Heere Jezus opnoemt maar hij laat de anderen voorgaan en eindigt heel nederig met zichzelf. Ten laatste van allen óók van mij... Het staat goed met ons, wanneer wij deze ootmoed bezitten. Onszelf niet als hoogbegenadigden op de voorgrond plaatsen, zelfs niet pronkend midden tussen de andere heiligen gaan staan. Maar een stille plek zoeken In de achterhoede van de verlosten.

Ja, werkelijk - vóór alle dingen behoort tot de oprechte bekering een echte droefheid naar God. Met andere woorden: een innige smart dat wij niet alleen maar Zijn wetten schonden en daardoor onszelf ongelukkig maakten, maar Zijn weldaden met de grofste ondank hebben vergolden. Er komt in ons leven een innerlijke verbrijzeling van hart. Een ingetogenheid, die menig keer meer zonder woorden naar buiten straalt, dan bepaald met duidelijke woorden kan worden omschreven.

Geloof ons, dit schuldbesef verschilt of wij aan het begin van het leven staan dan wel of wij ouder geworden zijn, maar altijd treedt het naar buiten. In een loutering en diepe verfijning voor de wezenstrekken van het Woord. Ja, u kunt het wel zo ongeveer uitdrukken, dat ons gehele leven voor het Woord meer toegankelijk wordt. Ons leven draagt zonderouw in zich om, die ons verhindert groot te worden in onszelf. Deze ootmoed blijft het kenmerk van het vernieuwde leven. Deze ootmoed neemt zelfs door de jaren heen nog toe. Ze is de gedurige verwondering dat aan zulke schuldenaren als wij, nochtans genade is geschied.

dr. A. van Brummelen